Neem de productiefactor arbeid goed onder de loep in de varkenshouderij

16% van de bedrijven zet niet-familiale arbeid in, in 65% van de gevallen alleen op piekmomenten.
16% van de bedrijven zet niet-familiale arbeid in, in 65% van de gevallen alleen op piekmomenten. - Foto: AV

Volgens het LARA-rapport (2018) vertegenwoordigt werk door derden op varkensbedrijven circa 2% van de totale kosten exclusief eigen arbeid. Tellen we er de vergoeding voor eigen arbeid bij, dan vertegenwoordigt deze circa 13% van de totale kosten (figuur 1, LARA 2018, data 2016). Het is duidelijk dat bijvoorbeeld voederkosten veel meer doorwegen, maar de variatie in arbeidskosten is veel groter dan in voederkosten. Met andere woorden, er is op het vlak van arbeid meer te winnen (of te verliezen) dan je zou aannemen louter op basis van het aandeel in de totale kost.

Figuur1: Verdeling van de arbeidskosten op een varkensbedrijf
Figuur1: Verdeling van de arbeidskosten op een varkensbedrijf - Bron: Departement Landbouw en Visserij, LARA 2018

Veelal familiaal karakter

Uit de resultaten van de grootscheepse enquête ‘Wat denkt de varkenshouder?’ van het departement Landbouw en Visserij, waaraan in 2016 bijna 1.200 varkenshouders deelnamen, weten we dat de arbeid op varkensbedrijven in grote mate familiaal is. Gemiddeld werken – uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTE) – 1,6 familiale arbeidskrachten op de varkensbedrijven van de respondenten. Voor 39% van de bedrijven is het aantal VTE’s kleiner of gelijk aan één terwijl 45% over meer dan anderhalve VTE beschikt. 16% van de bedrijven zet niet-familiale arbeid in, in 65% van de gevallen alleen op piekmomenten. 35% wordt tewerkgesteld in vaste dienst. 20% van de bedrijfsleiders werkt echter zelf ook deel- of voltijds buitenshuis. Ook 44% van de eventuele partners is extern tewerkgesteld.

Bij bedrijven waar niet-familiale arbeid wordt ingezet, is die vrij substantieel (figuur 2). In het geval van niet-familiale arbeid in vaste dienst gaat het, gemiddeld, om 1,6 voltijdse arbeidskrachten (VTE). In 47% van de gevallen gaat het om meer dan 1 VTE. Voor niet-familiale arbeid op piekmomenten is de mediaan voor het aantal mandagen per maand gelijk aan 4. Voor 19% gaat het om 1 dag of minder per maand, voor 27% is dat meer dan 5 dagen per maand.

Figuur 2: Verdeling van arbeid op familiale varkensbedrijven
Figuur 2: Verdeling van arbeid op familiale varkensbedrijven - Bron: Departement Landbouw en Visserij, enquête varkenshouders, 2016

De varkenshouderij in Vlaanderen kan dus nog steeds getypeerd worden als hoofdzakelijk familiaal van aard, waarbij de varkenshouder en zijn/haar gezin niet alleen leiding geeft en stuurt, maar ook uitvoert.

Andere modellen

De Nederlandse en de Deense sector zijn eerder voorbeelden van patronale systemen, waar de tewerkstelling door derden belangrijker is en de varkenshouder eerder een manager wordt.

Een derde model is het industrieel systeem van bijvoorbeeld Spanje waar exploitaties in hoge mate gegroepeerd of geïntegreerd zijn, ook de managers betaalde werknemers zijn en het kapitaal zowel van binnen als van buiten de landbouw komt. Deze modellen komen natuurlijk ook in Vlaanderen voor maar zijn niet het meest typerend.

Arbeidsbehoefte

De arbeidsbehoefte wordt vaak uitgedrukt in benodigde uren/zeug/jaar of benodigde uren/vleesvarken. In het kader van Interpig (internationale vergelijking van technische en financiële cijfers in de varkenshouderij) wordt bijvoorbeeld voor België een gemiddelde arbeidsbehoefte van 10,67 uur per zeug per jaar gerapporteerd, dit is inclusief familiale arbeid, administratie en opfok.

Veel data rond arbeidsbehoefte zijn gebaseerd op boekhoudresultaten waarbij het aantal ingezette arbeidsuren eerder wordt ingeschat dan effectief gemeten. In het kader van het demonstratieproject Wekensystemen: keuze in functie van rendabiliteit en arbeid (2014) zijn er daarentegen wel gedurende enkele weken arbeidstijdmetingen gedaan op een beperkt aantal praktijkbedrijven. Hierbij werd enkel effectieve arbeidstijd gemeten, geen looptijden en geen handelingen die minder dan een kwartier vergden. Hieruit bleek een gemiddelde arbeidstijd van circa 1 minuut per zeug per dag, wat overeenkomt met circa 6 uur per zeug per jaar.

Bepalende factoren

De arbeidsbehoefte varieert sowieso sterk tussen bedrijven. Bedrijfsgrootte wordt daarbij vaak gezien als een belangrijke bepalende factor. Hoe groter het bedrijf, hoe efficiënter de arbeid in theorie zou kunnen benut worden. Er zijn echter meerdere factoren die een rol spelen, zoals productieniveau en genetica, bedrijfsstructuur (bijvoorbeeld aantal locaties en stallen), mate van automatisering en van mechanisering en toegepast meerwekensysteem.

Algemeen wordt aangenomen dat ten opzichte van een éénweeksysteem een driewekensysteem 10% minder arbeid vergt en een vierweken- en vijfwekensysteem nog meer arbeid besparen. De arbeid gaat echter bij die laatste systemen met meer pieken gepaard. Zo is bij een driewekensysteem het verschil tussen de gemiddelde dagelijkse arbeid in de drukste week ten opzichte van de minst drukke week minder dan 50 minuten, terwijl dat bij een vier- en een vijfwekensysteem oploopt tot respectievelijk twee en anderhalf uur.

Waar kan je arbeid besparen?

Kijken we naar de verdeling van de arbeid op een zeugenbedrijf per diercategorie (figuur 3), dan gaat het merendeel van de arbeid naar de kraamafdeling, namelijk 45 tot 50%. Biggenafdeling, algemene/overige arbeid, dekafdeling en drachtige zeugenafdeling volgen met respectievelijk 15-25%, 8-15%, 10-11% en 7-10%. In de kraamafdeling zijn de belangrijkste werkzaamheden de biggenbehandelingen zoals bijvoorbeeld castreren, staarten couperen, ijzerinjectie, eventueel antibiotica toedienen, oormerken plaatsen en navels ontsmetten. Alles wat met diercontrole te maken heeft, beneemt ook veel tijd. Daarna komen qua belang de activiteiten reinigen, transport, werpen en voederen, die elk ongeveer even grote arbeidstijden vereisen.

Het merendeel van de arbeid op een gesloten varkensbedrijf gaat naar de kraamafdeling, namelijk 45 tot 50%.
Het merendeel van de arbeid op een gesloten varkensbedrijf gaat naar de kraamafdeling, namelijk 45 tot 50%. - Bron: Departement Landbouw en Visserij

Om op arbeid te besparen is het dus aangewezen eerst de activiteiten in de kraamstal onder de loep te nemen. Ook al zijn deze handelingen moeilijk of niet te automatiseren of te vereenvoudigen zonder in te boeten op de resultaten kan het bijvoorbeeld wel lonen looplijnen en de opslagplaatsen van materialen in kaart te brengen en te checken op onnodig tijdverlies. Ook protocollen kunnen helpen routineus en snel te werken.

Arbeidskosten drukken

Om te besparen op arbeidskosten heb je enkele opties. Je kan de arbeidsproductiviteit verhogen door bijvoorbeeld stal- en erfconcept en stalinrichting, automatisering en arbeidsorganisatie en -efficiëntie (kenmerken van een goede bedrijfsleider). Daarnaast kan je bij werk door derden de meest optimale tewerkstellingsvormen toepassen .

Investeringen gericht op arbeidsbesparing zijn in de varkenshouderij veel minder evident dan bijvoorbeeld in de melkveehouderij waar het melken een dagelijkse taak is die een groot deel van de arbeidstijd vergt en die ook nog goed te automatiseren is. Voederen is op professionele varkensbedrijven al grotendeels geautomatiseerd. Op bedrijven waar arbeid een knelpunt wordt, kan eventueel worden overwogen te investeren in bijvoorbeeld een reinigingsrobot, sorteerstations, berigheidsherkenning, automatische zoekberenpoortjes of elektronische dierherkenning. Ongetwijfeld zullen de volgende jaren meer en meer toepassingen op het vlak van smart farming op de markt komen waardoor ook op grotere bedrijven individuele dieren of groepen dieren efficiënt en nauwkeurig kunnen worden opgevolgd.

Doordachte nieuwbouw

Bij het bouwen van een nieuwe stal is het belangrijk goed na te gaan of extra ruimte in de vorm van controlegangen – bijvoorbeeld in de kraamstal – de meerkost eventueel waard kan zijn. Ook de exacte locatie van de nieuwe stal op het bouwblok, vooral ten opzichte van bestaande stallen, zal bepalend zijn voor de arbeidsefficiëntie. Dit uiteraard binnen de beperkingen opgelegd door de vergunningverlener.

Andere te overwegen stalonderdelen of -kenmerken zijn: hetzij volwaardige hygiënesluizen hetzij lavabo’s (al of niet met boilers) of laarzenreinigers op meerdere strategische plaatsen, bergruimtes voor materiaal dicht bij de toepassingsplaatsen, doordachte afvoersystemen van (reinigings-)water en andere vloeistoffen en biggendeurtjes waardoor biggen rechtstreeks van kraamstal naar batterij kunnen worden verplaatst.

Waar arbeid een knelpunt wordt maar (bijkomende) tewerkstelling van derden niet aan de orde is, kan je overwegen bepaalde taken zoals het reinigen en ontsmetten, transport, ongediertebestrijding of administratie, uit te besteden.

Tracht arbeidsbehoefte onder controle te houden

Zeker op de bedrijven waar arbeid door derden (19%) wordt ingezet of waar de bedrijfsleider (20%) of zijn of haar partner (44%) buitenshuis werkt is het van belang de arbeidsbehoefte onder controle te houden.

Arbeidsbesparing zal – tussen bouwfases in – eerder op het vlak van organisatie en (vereenvoudiging van het) management mogelijk zijn dan door investeringen. Bij het bouwen zelf is het zaak goed af te wegen waar iets meer ruimte of een andere locatie de looplijnen en de efficiëntie ten goede kunnen komen.

Suzy Van Gansbeke, departement Landbouw en Visserij

Meest recent

Meest recent