ILVO kiest voor innovatie in veredeling

en voor nieuwe teelten

Al 85 jaar doet het ILVO onderzoek naar verschillende topics in veel verschillende teelten. Als er verbetering mogelijk is, qua raskeuze of teelttechnisch gezien, is dat best mogelijk. Duurzaamheid is ook een peiler die doorheen de tijd steeds belangrijker wordt. Daarom denkt het ILVO ook na over nieuwe teelten, naast rassenkeuze, zoals de teelt van paardenbloem of goudsbloem.

Veredeling van gras

Een van de teelten waarop het ILVO onderzoek doet, zijn grassen, zoals Engels en Italiaans raaigras en timothee. Sinds 1932 is het ILVO bezig met voedergewasveredeling. Het oudste ras dat er in het veld lag was van 1948. Een veredelingsprogramma om één nieuw ras te bekomen is echter geen sinecure. In de eerste drie jaar worden 10.000 aparte planten opgegroeid, waarbij gekeken wordt naar groei en ziektetolerantie. Erna worden de planten vegetatief vermeerderd tot klonen. In de volgende jaren worden er 500 klonen gemaakt, waarbij naast groei en ziekten ook gekeken wordt naar habitat, wintervastheid en droogtetolerantie. De beste klonen worden uitgekozen en bestuiven elkaar in isolatieveldjes.

De nakomelingen ervan groeien op in maaiveldjes en worden getest op opbrengst en voederwaarde. Uit enkele kandidaat-rassen worden nieuwe rassen gekozen, die in aanmelding komen voor op de rassenlijst: die draaien voor drie à vier jaar mee in officiële rassenproeven, waarna slechts één nieuwe cultivar wordt uitgekozen voor prebasis- en basiszaad (zie kader).

Veredeling van klaver

Ook rode en witte klaver worden veredeld, al 85 jaar loopt het programma. Ze zijn belangrijk in het kader van de eiwitteelt in het eigen bedrijf. Het is een alternatief voor geïmporteerde eiwitbronnen. Bovendien kan het stikstof uit de lucht in de bodem brengen. Opbrengst, ziekteresistentie, persistentie en hoge zaadopbrengst zijn heel belangrijk.

Hoe komt men hier aan een goed ras? Het ILVO zaait in de winter zaden van diverse cultivars uit in potjes, waarna de jonge planten worden geïnoculeerd met Sclerotinia of klaverrot, wat veel schade in de winter kan veroorzaken. In de nieuwe rassen wordt geprobeerd om hiervoor een resistentie in te bouwen, dus enkel de onaangetaste planten worden in het voorjaar uitgeplant. Die blijven zo’n tweetal jaar liggen. Enkel de beste planten blijven staan, dus al de zieke planten gaan eruit, net zoals de planten die na het maaien niet teruggroeien, of die de winter niet goed doorkomen of niet goed genoeg opbrengen.

De beste planten bestuiven elkaar in isolatie. De zaden van die planten worden geoogst, en die zaden gaan naar de zaadbank. Erna wordt geselecteerd op een cultivar met veel zaad. Die zaden zaait men opnieuw uit voor een nieuwe cyclus.

Na drie cycli heb je goed materiaal. Daar kan je verschillende zaadloten combineren om een nieuw kandidaat-ras te bepalen. Die worden dan vergeleken met andere bestaande rassen qua opbrengst en ziekteresistentie. Na drie jaar heb je een idee van hoe het klaverras het doet en kan je aanmelden als de opbrengst en ziekteresistentie voldoende goed is. Waar je het ras aanmeldt, hangt af van de eisen van de rassenlijst.

Het beste van Festuca & Lolium in één plant

Het voordeel van raaigrassen is een goede verteerbaarheid en smakelijkheid. Italiaans en Engels raaigras zijn zo de bekendste raaigrassen. Zwenkgrassen, Festuca in het Latijn, kennen dan weer een goede stressbestendigheid tegen droogte of koude. Het samenbrengen van die goede eigenschappen in één ras opent deuren.

Na verschillende kruisingen en terugkruisingen slaagde het ILVO erin om Festulolium te ontwikkelen, een samentrekking van Festuca en Lolium. Het belandde dan ook vorig jaar op de Belgische rassenlijst. Voor deze Festulolium werden Italiaans raaigras en Beemdlangbloem gecombineerd. Ook kruisingen tussen Engels raaigras en Rietzwenkgras zijn aan de gang, met als doel een goed verteerbaar smakelijk ras dat droogteresistent is.

Natuurrubber uit paardenbloem

Op vlak van nieuwe teelten, spreekt de rubberpaardenbloem of tot de verbeelding. Het is afkomstig uit Kazachstan en in een project wordt getracht die ook in België te telen. In de wortel wordt namelijk rubber geproduceerd. Het is een plant die een alternatief kan zijn voor de rubberboom, waarbij een ziekte veel plantages aantast. Er zijn twee planten die genoeg rubber kunnen produceren om te gaan exploiteren als landbouwgewas. Eén ervan is dus de rubberpaardenbloem. Naast rubber, produceert de plant ook inuline, wat het tot een dubbeldoelgewas maakt.

Een bedrijf is bezig met het veredelen van de rubberpaardenbloem, want momenteel zijn de wortels heel fijn en gaan ze diep, wat de plant moeilijk rooibaar maakt. Op het ILVO wordt er vooral onderzoek gedaan naar het teelttechnische aspect. Het gewas wordt het best uitgezaaid in het voorjaar. Na de winter wordt geoogst. Inuline wordt reeds geproduceerd in het voorjaar, de rubberproductie start in het najaar. De wortel wordt geoogst en dan gedroogd, vermalen en in een waterige oplossing gebracht. De gesuikerde inuline gaat oplossen in het water en de rubber drijft boven, waardoor het geëxtraheerd kan worden. Eén hectare zou 200 kg rubber moeten opleveren. Het zou goed zijn mocht dat nog kunnen verdubbelen, klinkt het bij het ILVO.

De rubber is geen alternatief voor synthetische rubber. Het is hoogwaardig, heel flexibel en wordt gebruikt bij toepassingen waarbij heel extreme omstandigheden zijn. Een voorbeeld zijn vliegtuigbanden, die hoge druk- en temperatuurverschillen kennen. Ook wordt het gebruikt bij de bouw van appartementsgebouwen en bruggen in aardbevingsgevoelige regio’s.

Sorghum voor voer

Men is al lang bezig met Sorghum, maar dan eerder als biomassaproduct voor de vergisting. Daar is echter niet veel interesse meer voor. Het kan ook gebruikt worden als voedergewas. Het heeft namelijk verschillende voordelen, zoals een hoog opbrengstpotentieel, lage stress- en ziektegevoeligheid. Het verschil met maïs is dat Sorghum een betere droogteresistentie heeft. Voor een derde teelt naast maïs en gras in de rotatie, wenst men vaak een niet-arbeidsintensieve teelt, die veel opbrengt en een goede kwaliteit heeft. Sorghum is dan een optie, maar dan moet het ras afgestemd worden op het doeleinde.

Het ILVO doet rassenproeven met deze teelt: men zoekt uit welke rassen het goed doen op Vlaamse bodem en welke teelttechniek het beste werken. Zo staan er onder andere rassen uit Frankrijk. Die zijn merkelijk groter, omdat ze daar kozen voor een biomassa Sorghum, waarbij de energie trager vrijkomt en geen zetmeel inzit. Hoewel voederwaarde verschilt tussen de variëteiten is er een verschil te merken tussen de vroege en late rassen. In het algemeen hebben de late rassen wat minder kolf en iets meer opbrengst dan de vroege rassen.

Opkomst quinoa

Quinoa wordt steeds populairder: het is glutenvrij en heeft een hoge voedingswaarde. Hoewel verkoop nu vooral wordt geregeld via korte keten, is opschaling en andere toepassing in de toekomst wel mogelijk. Quinoa telen in Vlaanderen is een logische stap in het kader van duurzaamheid. Het ILVO onderzoekt daarom welke rassen het goed doen op onze bodem en in ons klimaat en hoe men het teelttechnisch moet aanpakken. Zo werd een bemestingsproef aangelegd en wordt ook gekeken naar plantdichtheid. In de rassenproef op de openvelddag werden 11 rassen met elkaar vergeleken.

In Europa zijn er twee grote veredelingsbedrijven waar het ILVO zijn rassen kan vragen. Zo is er een in Wageningen, die er al mee bezig was in de jaren ‘90. Vanwege het zetmeelgehalte werd quinoa gezien als alternatief voor aardappel. Al hun rassen staan echter onder een sterk monopolie. Om dat te doorbreken koos het ILVO ook voor drie andere rassen: drie Deense vroege rassen die ook mogelijk zijn in het Belgische klimaat. Een nadeel bij twee van de drie Deense rassen is de aanwezigheid van saponines, die de quinoa een bittere smaak geven. Die kunnen er wel uitgehaald worden door een bijkomende behandeling.

Nieuwe rassen in kuilmaïs

Voor een nieuw ras in de handel komt, moet het vergeleken worden met de bestaande rassen. Jaarlijks worden in een CGW-proef (Cultuur- en GebruiksWaarde) een 100-tal nieuwe rassen getest die vergeleken worden met zo’n acht à tien bestaande beste rassen. Dat wordt gedurende drie jaar gedaan op zeven locaties in België, waaronder in Poperinge en Merelbeke. De kenmerken waarop wordt geselecteerd, zijn legervastheid, productie en verschillende kwaliteitskenmerken zoals verteerbaarheid en zetmeel. Ook naar ziekteresistentie wordt gekeken zoals builenbrand en stengelrot. Slechts 10 % van alle nieuwe meldingen wordt toegelaten en komt op een rassenlijst.

Nieuwe rassen in voederbieten

Als derde gewas is voor melkveehouders voederbieten interessant. In een proef wordt bestudeerd of nieuwe rassen uniek zijn op basis van een 20-tal kenmerken, of de planten binnen het ras voldoende gelijkaardig zijn en of het ras zich overheen de jaren op dezelfde manier gedraagt. In een CGW-proef wordt gekeken naar opbrengst.

Ziekteresistentie tegen Rhizoctonia is ook een belangrijke selectiecriterium, aangezien deze bodemschimmel voor een sterke daling in opbrengst kan zorgen.

Beloftevol: miscanthus

Miscanthus of olifantsgras wordt al gegroeid als energieteelt, maar kan ook dienen in de bouwmaterialen- en de papierindustrie en in de stallen als beddingmateriaal en strooisel. Elke toepassing vereist bepaalde eigenschappen naar miscanthus toe. Ondertussen staat er in België 55 ha en in Europa 22.000 ha. In België wordt de miscanthus vooral aangewend als energiegewas, maar ook om mulch te creëren.

Het ILVO startte 10 jaar geleden al met onderzoek naar miscanthus. Hoewel men toen slechts één genotype evalueerde, is dat nu geëvolueerd naar 100 miscanthus genotypes. Die worden onderzocht op de chemische samenstelling. Zo wil men bij miscanthus als energiegewas niet te veel nutriënten in het materiaal als men verbranding voor ogen heeft.

In het onderzoek merkte men alvast heel veel verschillen tussen de genotypes naar afrijping en bloei toe. In een onderzoek ambieert men een zo lang mogelijk groeiseizoen, met planten die vroeg uitschieten, snel groeien en vorstbestendig zijn. Het belangrijkste is dat de teler 20 ton per jaar haalt, en dat gedurende 15 à 20 jaar. Na 2 à 3 jaar is de teelt pas echt productief.

Een voordeel is ook dat het groeit op marginale gronden, op voorwaarde dat het geoogst kan worden in het voorjaar. Jaarlijks moet gemaaid worden in maart-april, als de biomassa nog droog genoeg is. Bemesting en onkruidbestrijding zijn niet nodig.

Soja teelttechnisch

Soja heeft zijn nut voor humane voeding, maar ook voor veevoeder. Daarom lopen er verschillende onderzoeken. Zo loopt er een veredelingsprogramma, dat al in zijn derde jaar zit, en doet men experimenten rond onder andere bemesting, gewasbescherming, rij- en plantdichtheid en opbrengst.

Via handkruising worden verschillende rassen met interessante eigenschappen gekruist. Elk jaar gebeuren er meer dan 50 kruisingscombinaties, om uiteindelijk drie tot vijf zaden te verkrijgen per kruising. Om de selectiecyclus te bespoedigen worden in de winter de kruisbestoven zaden vermeerderd in serres. Na verschillende generaties zelfbestuiving ontstaat uit iedere kruisbestuiving een groot aantal planten, waaruit de besten worden geselecteerd. Die worden getest in opbrengstproeven. Die opbrengstproeven worden enkele malen herhaald, waarna kandidaatrassen worden geselecteerd voor de officiële rassenproeven. In de sojaveredeling zijn de belangrijkste selectievoorwaarden opbrengst, eiwitgehalte, vroege afrijping, legervastheid en koudetolerantie tijdens de bloei.

Aaltjesresistente groenbedekkers

Groenbedekkers kennen vele voordelen zoals het verhogen van de bodemvruchtbaarheid, het tegengaan van erosie en nutriëntenuitspoeling tijdens de winter helpen voorkomen. Ze kunnen echter ook het aantal van bepaalde plantpathogene aaltjes in de bodem sterk reduceren. De aaltjes worden namelijk naar de wortels van de groenbedekkers gelokt maar kunnen er zich niet voortplanten. Dit is een nuttige eigenschap, aangezien het organisme in wortelgewassen een significante schade kan veroorzaken. De aaltjesresistentie van die groenbedekkers kan echter verbeterd worden door veredeling.

Aan het IlLVO loopt daarom een veredelingsprogramma met de groenbedekkers bladrammenas en gele mosterd om de resistentie tegen het bietencysteaaltje en het wortelknobbelaaltje te verhogen. Dit doen ze door de jonge zaailingen te inoculeren met de schadelijke aaltjes. De planten groeien dan op in gecontroleerde omstandigheden, in een klimaatkamer.

Later worden de wortels van de jonge planten gecheckt op een aantasting door aaltjes. De minst aangetaste planten worden geselecteerd en die bestuiven elkaar in een quarantaine serre. De zaden die hieruit voortkomen, worden onderworpen aan de aaltjestoets. Uiteindelijk worden die zaden terug uitgezaaid voor een nieuwe cyclus. Op die manier worden, na meerdere generaties, nieuwe rassen opgebouwd met een enorm verbeterde resistentie tegen aaltjes.

Meest recent

Meest recent