IUPAC2019: ‘Niet informeren, maar de dialoog aangaan’

Professor Joos Dessein (rechts) van Universiteit Gent raadt wetenschappers af betweterig te doen richting de gewone burger wanneer ze nieuwe technologie willen toelichten.
Professor Joos Dessein (rechts) van Universiteit Gent raadt wetenschappers af betweterig te doen richting de gewone burger wanneer ze nieuwe technologie willen toelichten. - IUPAC2019/Daphne Matthys

Glyfosaat, zaadcoatings, genetische modificatie, megastallen... het zijn voorbeelden van vindingen waarvan de toepassing geheel of gedeeltelijk aan banden is gelegd. Volgens critici niet vanwege overtuigend bewijs dat de producten nefast zijn voor het flora, fauna of volksgezondheid, maar door gebrek aan kennis over de sector. Hoe te communiceren met een publiek dat weinig weet over landbouw of wetenschap?

Dick Veerman startte als ex-verzekeringsexpert en filosoof een aantal jaren geleden een website over voeding en landbouw. Hij toont tijdens het debat een foto van kevers in suikerbieten. De nefaste aanwezigheid van kevers is een direct gevolg van het afschaffen van de neonicotinoïden. Een beeld van de gevolgen zegt volgens hem soms meer dan 1.000 woorden. “Je kunt een debat hebben en dat blijft dan bij woorden, maar in de echte wereld heb je dus kevers op de plant.”

Moderator Femi Oké vergeleek de stelling van Veerman met een kind dat je 10 keer vertelt de vinger niet in het stopcontact te steken. Gebeurt het een keer wel, dan weet het kind definitief beter. Professor Joost Dessein van de Universiteit Gent vindt de vergelijking met het onwetende kind onhandig. Volgens de landbouweconoom zijn wetenschappers soms betweterig of zelfs arrogant richting de gewone burger. “De consument is nu eenmaal niet de hele dag bezig met onderzoek of wetenschap. Wetenschappers en onderzoekers spreken niet zelden tegen en over de mensen, in plaats van met de mensen.”

Communicatiespecialist Aimee Hood van agrochemiegigant Bayer vindt dat wetenschappers regelmatig met 11- en 12-jarigen zouden moeten spreken over hun werk, en wel om een serie redenen. “11- en 12-jarigen vervelen zich snel dus je kunt maar beter interessant zijn of ze gaan schuiven op hun stoel en misschien dingen naar je toe gooien en zo.” Ten tweede moet je de boodschap volgens haar veranderen want anders begrijpen ze je eenvoudigweg niet. Ten derde stellen jongeren hele lastige, uitdagende vragen.

“Niet omdat ze je willen beledigen, maar omdat ze onschuldig zijn en willen leren.” Ze zijn nog niet geconditioneerd om zich te schamen om op het eerste gezicht basale vragen te stellen, en staan nog zo open tot de wereld dat ze creatief zijn in hun vraagstelling. Hood onderstreept ook het belang van het vermenselijken van de landbouw – het in beeld brengen van landbouwers – maar ook van de bedrijven in de sector. Landbouwers en wetenschappers moeten volgens haar ook meer aan hun omgeving uitleggen.

Dessein is voorstander van authentieke communicatie, maar blijft waarschuwen voor arrogantie. “Het gaat er niet om te informeren of iemand iets te leren, maar om een gesprek hebben. Met vragen en antwoorden van allebei de kanten.” Veerman ging een stap verder. Volgens de Nederlander overschat de wetenschap zichzelf. Als we spreken over neonicotinoïden, glyfosaat etc. dan spreken we volgens hem over ‘toegepaste wetenschap’ en geen fundamentele wetenschap.

De maatschappij is geïnteresseerd in doelen, en heeft het recht om het middel te kiezen. Het wel of niet kiezen voor een bepaalde toepassing, is dus in feite een politieke keuze. Hood sloot zich hierbij aan en benadrukte dat traditioneel PR niet zo werkt. Men is gewend een product te verkopen in plaats van aan te geven waarom hun middel het beste is om een bepaald doel te bereiken. “Het is alsof we de Titanic van koers proberen te laten wijzigen.”

Jan Cees Bron

Tegengas tegen overdreven voorzichtigheid op IUPAC 2019

Professor David Zaruk vergelijkt het voorzorgsprincipe met een paraplu op zonnige dagen op IUPAC2019.
Professor David Zaruk vergelijkt het voorzorgsprincipe met een paraplu op zonnige dagen op IUPAC2019. - IUPAC2019/Daphne Matthys

Doorheen het hele congres stond de kennisoverdracht naar toekomstige generaties centraal. Landbouw, en gewasbescherming in het bijzonder, zijn niet meer ‘sexy’. Jonge mensen, afkomstig van alle uithoeken van de wereld, getuigden dat ze op weinig begrip konden rekenen voor hun keuze om landbouw te studeren. Sommigen moesten er zelf niets van weten, tot een gedreven landbouwer, leerkracht of familielid hen inspireerde.

Misprijzen

Daarnaast voelt de sector ook het misprijzen en de tegenstand uit de maatschappij. Aan de ene kant gaat de sector daarmee om door onderzoek te verrichten naar microbiële pesticides, natuurlijke vijanden, proactieve monitoring van onkruid, ziekten en plagen al dan niet gecombineerd met nieuwe toepassingstechnieken en dergelijke meer.

Anderzijds vindt de sector het belangrijk te kunnen blijven innoveren met nieuwe moleculen, om de voedselproductie niet in het gedrang te brengen en de voedselprijzen niet de hoogte in te jagen. Daarvoor roept IUPAC de ongeveer 1.500 aanwezige gewasbeschermingsspecialisten op om zich te mengen in het maatschappelijk debat en te luisteren naar de bezorgdheden van burgers.

Onschuld bewijzen

“In deze zaal zit het kruim van de wetenschap. Misschien is er wel een toekomstige Nobelprijswinnaar onder ons. Toch is er veel kans dat jullie onderzoek niet zal leiden tot nieuwe toepassingen voor gewasbescherming. De maatschappij kijkt niet naar de wetenschap om de problemen waar we vandaag mee kampen op te lossen. Ze ziet de wetenschap als de veroorzaker van die problemen”, confronteert dr. David Zaruk, professor aan de Odisee Hogeschool in Brussel en één van de krachtigste stemmen op het symposium de jonge wetenschappers in de zaal.

Hij ziet het voorzorgsprincipe als de grote schuldige. “In de wetenschap heb je het ofwel juist, ofwel fout. Met het voorzorgsprincipe kun je ongelijk hebben, maar nooit fout zijn. Het is als elke dag een paraplu meesleuren, zelfs op mooie dagen, om toch maar nooit voor verrassingen te komen staan.” Daarnaast klaagt hij aan dat dankzij het voorzorgsprincipe de wetenschap “schuldig is, tot het tegendeel bewezen wordt.” Een absurde situatie, volgens de van oorsprong Canadese communicatie- en lobbyingspecialist.

Rem op innovatie

Maar het belangrijkste gevolg is de rem op innovatie, aldus Zaruk. Hij getuigde over de bijzondere infectie die hij opliep bij het beoefenen van zijn hobby, berglopen. “Ik werd wakker, had enorm veel pijn en kon mijn benen niet meer bewegen. Het was verschrikkelijk. Pas na lang zoeken vonden de dokters een antibioticum dat nog vat had op de boosdoener-bacterie. Sinds kort is de pijn terug, en ik kan alleen maar hopen dat er nog een actieve stof gevonden wordt die de ziekte aan kan pakken”, sprak hij ingetogen.

“De burger lijkt te denken dat de oplossing tegen één van de grootste uitdagingen van deze tijd, antibioticaresistentie, eruit bestaat om al het onderzoek naar nieuwe, actieve stoffen in de vuilbak te gooien. Dat is waanzin. Net zo is de ontwikkeling van resistentie tegen herbiciden geen signaal om te stoppen met zoeken naar nieuwe stoffen”, vindt Zaruk.

Ook voor professor Marc Van Montagu is een goede communicatie naar de maatschappij onontbeerlijk. “De specialisten weten wat de stand van zaken is. Het is de taak van een dergelijk congres om de vertaling te maken naar de rest van de maatschappij en de politieke discussie te voeden. Hier moeten wetenschappers niet alleen onder elkaar hun kennis delen, ze moeten ook aan de rest van de wereld duidelijk maken wat er gaande is.”

Dorien Colman

Tussen emotie en wetenschap met Marc Van Montagu

Levende legende professor Marc Van Montagu stond samen met Jeff Schell aan de wieg van de ggo-technologie.
Levende legende professor Marc Van Montagu stond samen met Jeff Schell aan de wieg van de ggo-technologie. - IUPAC2019/Daphne Matthys

Professor emeritus en doctor in de biochemie Marc Van Montagu is een uitermate positief ingesteld persoon. Toch kijkt hij een beetje verontrust naar de tegenstand die gentechnologie en chemische gewasbeschermingsmiddelen bij het publiek oproepen. Hij begrijpt de heersende ongerustheid over het milieu heel goed en benadrukt dat actie nodig is. Daarbij blijft hij een rabiaat verdediger van de wetenschappelijke methode.

“We weten maar zo weinig, terwijl er zo veel meer te weten is. Problemen oplossen doe je niet overhaast, je neemt de tijd. De wetenschappelijke redenering is het enige dat ons daarbij kan helpen”, stelt hij.

Geschiedenis schrijven met DNA

In 1951 begon Marc Van Montagu zijn studies aan de Universiteit Gent. In 1983 publiceerde hij met zijn onderzoekspartners in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift ‘Nature’ hoe ze een tabaksplant genetisch gewijzigd hadden met behulp van een eeuwenoude bacterie, Agrobacterium tumefaciens. Die tabaksplant was het eerste gedocumenteerde ‘genetisch gewijzigd organisme’ (ggo) ooit.

Professor Marc Van Montagu moedigde wetenschappers op het congres aan zich te mengen in het maatschappelijk debat.

Professor Van Montagu ontving voor zijn rol in de ontwikkeling van de groene biotechnologie in 2013 de Wereldvoedselprijs. Eerder, in 1990, gaf koning Boudewijn hem de titel van baron. Maar wist hijzelf toen, in 1983, dat hij een ontdekking had gedaan die in de landbouw een revolutie zou ontketenen?

Van scheikunde naar levende materie

“In het begin hadden we niet over landbouw nagedacht. Ik ben per toeval in de planten terechtgekomen. In het labo werkten we met planten, omdat we niet met dieren wilden werken. Dieren stonden te dicht bij ons, vonden we. Kijk, ik ben een scheikundige. Jeff Schell, mijn onderzoekspartner, was een microbioloog. Walter Fiers, dat was de landbouwingenieur. Onder ons drie hadden we een brede waaier aan kennis en interesses.”

“Walter bracht ons telkens terug bij de technologie en de analytische methode, die mij aansprak als scheikundige. Hij wenste te specialiseren in de moleculaire chemie. In die tijd wist niemand wat een gen scheikundig gezien was. De wetten van Mendel begrepen we: die draaiden om eigenschappen, heel abstract eigenlijk. Maar wat er gebeurt bij een DNA-transfer? Dat wisten wij niet. Alles was zodanig nieuw.”

Interesse van agro-industrie

Hoe vonden de onderzoekers en hun ontdekking dan de weg naar de landbouw? “We dachten eerst aan het fundamentele, terwijl je ook de toepassingen moest zien. Dat kan toegepast worden in de geneeskunde, dachten we, maar de landbouw zelf? Dat kwam in eerste instantie niet in ons op. In het begin kregen we alleen financiële steun in het kader van kankeronderzoek.”

Het IUPAC-panel waarin professor Van Montagu zetelde, betreurde een verminderde interesse in landbouw bij jongeren.

“Die steun was niet voldoende. We gingen toen op zoek naar financiële steun bij de landbouw. De agro-industrie heeft onmiddellijk ingezien dat ze dat moesten hebben. Bij het eerste contact met Bayer ging het over chemische middelen die het verschil kunnen maken tussen monocotyle planten zoals maïs, tarwe en gras, en dicotyle planten. Wanneer wij toen zeiden dat we gericht planten konden aanpassen, was hun interesse gewekt.”

Plant Genetic Systems

Hoe ging het toen verder? “We zagen dat de agro-industrie wilde investeren in ons onderzoek. Ze stelden meer geld beschikbaar dan de universiteit ooit had gekund. Ik hoor het toenmalig minister van Onderwijs Willy Calewaert nog zeggen: Een universiteit dient om te onderwijzen. Toepassingen maken is een taak voor de industrie.”

“Ik heb toen gekeken naar hoe ze dat in de Verenigde Staten aanpakten. Ze deden dat eigenlijk hoe het Vlaams Instituut Biotechnologie dat nu doet: via start-ups. Grote, bestaande bedrijven kopen die vervolgens op. In navolging van dat Amerikaanse model hebben we in 1982 Plant Genetic Systems opgericht, een dienst waar we met 200 personen werkten. Zoiets werd pas mogelijk met andere bronnen van financiering.”

Nee tegen ggo

Plant Genetic Systems werd opgekocht door een bestaande speler, die fuseerde met een andere tot Aventis CropScience. Bayer kocht de biotech-tak van die laatste op in 2002: Bayer CropScience zag het licht. Intussen laat de Europese Unie de teelt van slechts één ggo-gewas toe: MON810. De meeste lidstaten kiezen er niettemin voor om alle ggo-gewassen te verbieden. Een trieste zaak, volgens de professor.

“Milieu-organisaties blokkeren goede zaken voor anderen door tegen genetische modificatie te zijn. Het is een beetje zoals met de dissectie van het menselijk lichaam in de geschiedenis van de geneeskunde: dat mag niet, want de ziel zal het lichaam verlaten en niet naar de hemel kunnen. Later zullen ze op dezelfde manier over het ggo-verbod spreken: het is toch droevig dat we zoveel tijd hebben verloren.”

Voor een beter milieu

“Ondertussen is er een deel van het milieu dat kapot gaat”, voegt de professor daar nog aan toe. “Het milieu staat er slecht voor, er moet iets gebeuren. We zijn met veel en we zijn veel gewoon. In dat opzicht moeten oplossingen realistisch zijn. Wat milieu-organisaties zeggen is eigenlijk uiterst cynisch: Ik moet uw oplossingen voor vervuiling niet hebben, want dat pollueert. Terwijl er geen schadelijke effecten zijn aangetoond.”

Wat is eigenlijk het ergste dat er kan gebeuren als genetische modificatie op grote schaal wordt toegepast, volgens de professor? “Dat financiële groepen zich bedienen van nieuwe monopolies en dat daar groepen mensen het slachtoffer van worden, zoals misschien is gebeurd. De enige problemen die ik zie, zijn maatschappelijke problemen. Tot op heden is daar geen wetenschap tegen opgewassen.”

De doos van Pandora

Is een goede toepassing van de genetische technieken in de landbouw dan mogelijk? “De mens moet leren omgaan met de industrie. Wetenschap brengt kennis bij, maar leidt niet. De industrie heeft geld en macht. Een bedrijf moet zijn financiële patrimonium behouden om te kunnen overleven. Dikwijls is dan uitbreiden de beste manier.”

Dat gebeurt niet steeds met het grootste mededogen. “Dat werkt een tegenbeweging in de hand. Vanuit een intense drive maakt de politieke ‘groene beweging dan liever alles kapot dan dat ze dat gedogen. Emotioneel gezien is dat een begrijpelijke positie. Tegelijk is het uiterst gevaarlijk, omdat die mensen zeer snel lineaire beslissingen nemen over kennis die we niet hebben. Het is als de doos van Pandora. Je doet iets, maar achteruit kan je niet. Men heeft geprobeerd. De realiteit is anders. Ik vraag aan de mensen van Groen om erover na te denken. Zeggen dat het zo moet, en niet anders, is uiterst rechts.”

Geneeskunde voor planten

Ook chemische gewasbeschermingsmiddelen staan meer en meer ter discussie. Is het verhaal van die tak van de scheikunde ten einde? “Nog lang niet”, antwoordt een overtuigde Van Montagu. “We kennen nog maar weinig van de componenten en hun pathways in planten. Met meer kennis zouden we de kieming op pauze kunnen zetten als de weersomstandigheden slecht zijn. Ziekten en plagen zouden we heel precies onder vuur kunnen nemen, zonder andere soorten te bedreigen.”

“Biologische moleculen bewegen, nemen andere vormen aan, vormen samen bepaalde constructies... Dankzij genetische engineering komen we achter dit soort fundamentele kennis, die we dan later kunnen toepassen. De gezondheid van een plant verandert met zoveel factoren: weer, licht, nutriënten, vochtigheid, wind... Wie een plant gezond wil houden, moet op het juiste moment op de juiste manier kunnen tussenkomen. In de landbouw hebben we tien keer meer wetenschap nodig dan in de geneeskunde, maar er is veel minder draagvlak voor. Niemand stelt anesthesieproducten in vraag.”

Mengen in maatschappelijk debat

Hoe moet het nu verder? “Als iets te ver gaat, komt er een tegenreactie. De enige manier om te overleven is u niet teveel aan te trekken van de uitersten”, vertelt de professor profetisch. “We moeten traag gaan, voorzichtig zijn en onze tijd nemen. De wetenschappelijke methode is het enige dat ons vooruit kan helpen. Tegelijk mogen we niet blind zijn voor misgelopen zaken uit het verleden. De schade die je al hebt aangericht, moet je aanpakken.”

Aangezien de professor een deel van de vijandigheid wijt aan wetenschappelijke onwetendheid, moedigt hij meer interesse van de wetenschap voor de maatschappij. “Wetenschappers moeten deelnemen aan het maatschappelijk debat, en met iedereen het gesprek aangaan.” Vice versa moet ook de maatschappij zich meer gaan interesseren voor wetenschap. Daarbij vindt Van Montagu vragen stellen een belangrijke vaardigheid. “Wanneer je kinderen thuiskomen van school, vraag hen dan niet wat ze geleerd hebben, maar welke vragen ze hebben gesteld.”

De laatste slaven

Wat geldt voor wetenschappers, geldt ook voor landbouwers. Professor Van Montagu ziet een verklaring voor de afstand tussen landbouw en maatschappij door de opschaling van de landbouw. “Grootschalige landbouwers komen in een totaal ander netwerk terecht, een industriële wereld. De maatschappij staat daar buiten en heeft daar geen toegang toe”, koppelt hij terug naar de spanning tussen maatschappij en industrie.

Toch is massaal opnieuw de kleinschaligheid opzoeken niet realistisch. “We zitten met zo’n overbevolking. Zonder technologie is het rendement van de landbouw te klein. Vroeger gaven mensen wel 80% van hun inkomen uit aan voedsel. Niemand wil terug naar die situatie. Economisch gezien moet voedsel goedkoop zijn, maar dat kan alleen met de nodige technologie.”

Ten slotte is Van Montagu er oprecht van overtuigd dat gentechnologie de inkomsten en werkomstandigheden van landbouwers kan verbeteren. “Op zoveel vlakken verlicht het de bedrijfsvoering: spuiten, ploegen... Nee, landbouwers zijn de laatste slaven van deze tijd.”

Dorien Colman

Meest recent

Meest recent