Startpagina Actueel

Melkveehouderij focust meer op... de efficiëntie van de productie dan op de melkproductie zelf

Zeker met de slechte melkprijzen op de huidige zuivelmarkt verschuift de focus in de melkveehouderij van de productie naar de... efficiëntie van productie. Dat is meer dan logisch. Want méér melk betekent vandaag zeker niet méér geld. Integendeel, groter aanbod bij dezelfde vraag, doet de prijs dalen.

Leestijd : 6 min

Traditioneel - onder meer op vraag van zuivelverwerkers in het verleden - focust de melkveehouderij sterk op het maximaliseren van de melkproductie per koe. Dat leidde tot de bekende en spectaculaire stijging van de globale melkproductie in de voorbije decennia.

Intensief productiesysteem

Het verhogen van de productie per koe verdunt de onderhoudsbehoefte en bijhorende kost. In geïndustrialiseerde gebieden, met intensieve productiesystemen zoals bij ons, gaat alsmaar meer aandacht naar het verlagen van de milieu-impact én naar het verhogen van de winstgevendheid. De focus verschuift door van louter productie naar de efficiëntie van productie. Dat is de voornaamste conclusie van de studie ‘Decomposing efficiency of milk production and maximizing profit’ (auteurs Alex Bach, Marta Terré en Maria Vidal), die gepubliceerd werd door het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en voedingsonderzoek (ILVO).

De efficiëntie van de melkproductie (EMP) wordt gedefinieerd als het aandeel van de ingezette hulpbronnen dat effectief wordt ingezet voor de melkproductie. Meer richting melk en minder richting onderhoud levert dus een hogere EMP op.

“Op bedrijfsniveau wordt EMP beïnvloed door het aantal en de kwaliteit van de vaarzen, de afkalfleeftijd, de kwaliteit van de voedermiddelen en het rantsoen, het aantal koeien en de lengte in en van de droogstand, de langleefbaarheid...” Een verbeterde EMP verhoogt enerzijds de bedrijfswinst en verlaagt anderzijds de impact op het milieu. Een hogere melkproductie per koe verbetert de EMP door een verdunning van de onderhoudskosten.

Meerdere factoren

Anderzijds vraagt elke stijging in melkproductie een alsmaar grotere opname van nutriënten. “De extra winst uit het verdunnen van de onderhoudsbehoefte wordt dus kleiner naarmate deze productie duurder wordt en minder voersaldo oplevert”, stellen de auteurs. Maar is er een kantelpunt waarop extra liters niet meer bijdragen aan het bedrijfsresultaat?

De EMP kan op technisch vlak worden gemeten met de voerefficiëntie (VE), de geproduceerde hoeveelheid melk ten opzichte van de geconsumeerde nutriënten. Op economisch vlak kan het voersaldo het nodige inzicht verschaffen. Het voersaldo is het verschil van de inkomsten uit melk en voerkosten.

De EMP hangt af van verschillende factoren:

- Fysiologische status van de koe: leeftijd, lactatiestadium, gezondheid...

- Spijsvertering: vreetgedrag, passagesnelheid, penswerking, microbioom...

- Metabole verdeling: onderhoudsbehoefte, insulinegevoeligheid, hormoonhuishouding...

- Genetica: bepalend voor spijsvertering en metabole verdeling.

- Voeder: samenstelling, nutriëntenbalans...

Fysiologische status van de koe

Veel bedrijven hebben meer jongvee dan nodig, zegt de studie. Dit kost geld en weegt op het milieu. De reden ligt vaak bij een te hoge afkalfleeftijd, te veel uitval of te snelle vervanging in de melkveestapel. Jonger afkalven reduceert het aantal opfokdagen en verhoogt de voerefficiëntie bij het jongvee. Daarnaast verhoogt de EMP drastisch als meer vaarzen de 2de lactatie bereiken. De eerstekalfskoeien gebruiken immers nog een aanzienlijk deel van hun opgenomen nutriënten voor hun eigen groei en ontwikkeling.

In het begin van de lactatie verbruikt de koe lichaamsreserves om de melkproductie aan te houden. Op het eind gebruikt ze een deel van de nutriënten uit het voeder om deze reserves weer aan te leggen, waardoor de VE verlaagt. Ook de gezondheidsstatus beïnvloedt de VE. Ontstekingen in het lichaam leiden een deel nutriënten af van de melkproductie. Verder zullen ook externe factoren, zoals hitte en koude, een deel energie opslorpen om de lichaamstemperatuur van de koe constant te houden.

Spijsvertering

De voederefficiëntie is positief gelinkt aan de verteerbaarheid van het rantsoen. Deze is afhankelijk van de verteerbaarheid van de voedercomponenten en de verteringsmogelijkheden van het dier. Goed verteerbare voedermiddelen leveren meer nutriënten die beschikbaar zijn voor het dier. Dit zou de VE moeten verbeteren. Naarmate de melkproductie stijgt, neemt ook de opnamecapaciteit van het dier toe. Dit gaat gepaard met een verhoogde passagesnelheid, waardoor de koe een kleiner aandeel nutriënten uit het voer kan halen. Dit geldt vooral voor voedermiddelen met een lage verteerbaarheid zoals (rijpere) ruwvoeders.

De micro-organismen in het spijsverteringsstelsel hebben een invloed op de VE en de verteerbaarheid. Deze invloed wordt vooral bepaald door het type rantsoen. Verder helpt snel vreten de productie ook niet vooruit. De gewonnen tijd en energie wordt tenietgedaan door een lagere verteringsefficiëntie en leidt tot een lagere VE.

Metabole verdeling

De verbetering van de voederefficiëntie die de voorbije decennia werd gerealiseerd, steunt vooral op het vermogen van de koe om grote delen van de opgenomen nutriënten aan te wenden voor melkproductie. De verbetering is dus het gevolg van het verdunnen van de onderhoudsbehoefte: meer melk bij dezelfde onderhoudsbehoefte.

Traditioneel ziet men de onderhoudsbehoefte als een vast gegeven. Nutriënten opgenomen boven deze behoefte worden elders ingezet (bijvoorbeeld melk of groei). Een meta- studie van 51 onderzoeken tussen 2007 en 2019 bracht aan het licht dat deze traditionele benadering niet klopte. Koeien produceerden systematisch minder dan theoretisch verwacht werd op basis van het oude rekenmodel.

Naarmate de melkproductie per koe stijgt, neemt ook de onderhoudsbehoefte toe. Een sneller metabolisme in de uier vraagt een hogere nutriëntentoevoer en dus ook een verhoogd metabolisme in andere weefsels. De omzetting van voer naar melk verloopt dus met een lagere efficiëntie, naarmate de melkproductie stijgt. Hierdoor neemt de uitscheiding van N toe en neemt het voersaldo voor elke extra liter af.

Genetica

Zowel verteerbaarheid als metabole verdeling worden door de genetica van de koe beïnvloed. Hoewel VE niet als selectiecriterium wordt gehanteerd is de VE de laatste 50 jaar wel verdubbeld. Selectie op VE levert koeien die sterk in negatieve energiebalans gaan, wat nadelig is voor gezondheid en vruchtbaarheid. Selectie op VE van koeien op het eind van de lactatie lijkt zinvoller.

In een TMR-systeem (Total Mixed Ration, Totaal Gemengd Rantsoen) krijgen alle koeien hetzelfde rantsoen, ongeacht hun individuele melkproductie. Naarmate de individuele melkproductie afwijkt van deze waarvoor het TMR-rantsoen berekend werd, is dit TMR-rantsoen nutritioneel minder gepast. Dit heeft een nadelige invloed op de VE en voersaldo van de hele kudde. In de praktijk zal een deel koeien meer nutriënten opnemen dan ze nodig hebben. Dit drukt de VE en vergroot de impact op het milieu. Daarnaast vergroot de kans op problemen rond afkalven en met de vruchtbaarheid.

De onderzoekers maakten, rekening houdend met bovenstaande inzichten en gemiddelde marktprijzen, een simulatie voor een kudde van 228 melkkoeien met een gemiddeld gewicht van 638 kg en gemiddelde dagproductie van 38 kg melk. De berekening van een TMR-rantsoen voor elke koe apart leverde theoretisch de beste resultaten: een voersaldo van 7.81 €/dag.

In een meer praktijkgerichte oefening werden 3 TMR-rantsoenen gesimuleerd die de behoefte dekten voor een dagproductie van 35, 42 en 45 kg melk (30, 70 en 83 % van de kudde). De dagproductie kwam respectievelijk uit op 37.4, 38.6 en 39.1 kg melk. De bijhorende voederefficiëntie kwam uit op 1.46, 1.51 en 1.53. De hogere kostprijs van de rijkere rantsoenen en de dalende efficiëntie zorgen voor een beperkt verschil in voersaldo (in euro/koe/dag): 6.77 (rantsoen 35 kg), 6.96 (rantsoen 42 kg) en 6.95 (rantsoen 45 kg). Bij het voederen van een groep koeien leidt het maximaliseren van de productie of de voerefficiëntie dus niet noodzakelijk tot een hoger voersaldo. Opgelet, het kantelpunt hangt sterk af van variabele parameters als voerkost en melkprijs, voerkostverschillen tussen de rantsoenen, de variatie in melkproductie tussen koeien, genetische capaciteit (respons melkproductie), …

Om het voersaldo te verhogen kan de kudde opgesplitst worden in productiegroepen (laag, gemiddeld en hoog). Iedere groep voeren met een TMR-rantsoen dat voor 70 % van de groep de behoeften dekt, leverde volgens de onderzoekers een gemiddeld voersaldo van 7.13 €/koe/dag. De groepen bevatten 60, 80 en 88 dieren en de rantsoenen werden samengesteld voor een dagproductie van respectievelijk 33.7, 41.1 en 47.6 kg melk.

Waaier van factoren

De EMP wordt beïnvloed door meerdere factoren: fysiologische status van de koe, de vertering van het voeder, de metabole verdeling, genetica en het rantsoen. Op bedrijfsniveau zijn de jongveeopfok en de vruchtbaarheid van de kudde heel belangrijk. Ook hitte- of koudestress en ziekte spelen mee.

Lieven Vancoillie

Lees ook in Actueel

Natuurorganisaties houden juridische opties inzake GLB en PAS open

Actueel De Vlaamse Regering zal vandaag trachten tot een akkoord te komen over zowel het GLB als het PAS. De Vlaamse meerjarenplannen moeten de Europese minimumverplichtingen behalen. Dat is cruciaal voor de rechtszekerheid van de boeren en een snelle uitbetaling van hun inkomenssteun, schrijft Bond Beter Leefmilieu in een Persbericht.
Meer artikelen bekijken