Lezersbrief: Iemand moet de sector wakker schudden...

Elk landbouwbedrijf zou op zich financieel voldoende gezond en economisch krachtig moeten zijn, op zichzelf kunnen overleven zonder premies of andere vormen van overheidssteun.
Elk landbouwbedrijf zou op zich financieel voldoende gezond en economisch krachtig moeten zijn, op zichzelf kunnen overleven zonder premies of andere vormen van overheidssteun. - Foto: Jeroen Morel

Bijna week om week lees ik in de rubriek ‘Opinie’ hoe de landbouw gefnuikt wordt door het beleid. Terecht staan de landbouwers, in het bijzonder de jonge starters, aan de klaagmuur. Zoals de zaken nu lopen is boeren geen pretje meer, laat staan een aanrader. Een mens zou voor minder klagen. Veel landbouwbedrijven houden nog het hoofd boven water door de inzet van eigen arbeid en kapitaal, een inzet die op geen enkele manier nog ernstig vergoed wordt.

Wie is verantwoordelijk?

Maar is het ooit anders geweest? Als we het boek Landbouwhistories van vroeger en nu van André De Mol even bij de hand nemen, zien we dat de landbouw sinds de tweede wereldoorlog van de ene crisis in de andere rolt. Telkens was een beleidsmaker kop van Jut. Anno 2021 is dat Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Zuhal Demir.

Dat ze aan een sneltempo carrière maakt op de kap van de landbouwers, is wat kort door de bocht. Zelf ben ik geen grote fan van de vrouw, maar is zij verantwoordelijk voor de mestoverschotten, de schadelijke stikstofuitstoot en de uitgebreide regelgeving die er als gevolg is gekomen? Is zij verantwoordelijk voor de melkplassen, de boter- en vleesbergen die er destijds zijn geweest?

Ik dacht het niet. Dat zij of haar medewerkers nooit in het veld stonden, doet niets ter zake. De regelgeving is er gekomen omdat het decennia geleden al flink fout liep met de toen aangewende landbouwpraktijken. Dat ze nu de rem zet op het toekennen van nieuwe vergunningen is een logische gevolg van al wat vooraf- ging.

Intensieve landbouw

Vlaanderen telt al meer dan 6 miljoen varkens en 30 miljoen kippen. Vooral het aantal kippen groeit nog sterk, met steeds meer en grotere stallen. Op die manier proberen de landbouwbedrijven uit de beperkte marge nog een leefbaar inkomen te halen. Begrijpelijk, maar de grootte van de sector zegt echter weinig over het economisch succes. Steeds meer landbouwers, met de varkenshouders op kop, worden loonwerker in dienst van de machtige veevoederbedrijven, net omdat er uit hun activiteiten geen leefbaar inkomen meer valt te halen. Te veel en te zware investeringen in het verleden hebben hen genekt. Ze zitten in de wurggreep van de grote toeleveringsbedrijven, slachthuizen en multinationals, de enigen die nog baat hebben bij ons huidig landbouwmodel.

Met een intensievere landbouw gaan we nog meer de verkeerde richting uit. Dat is ook merkbaar aan het groeiend aantal klachten op het platteland. ‘Megastallen’ ontsieren het landschap en roepen steeds vaker maatschappelijke weerstand op. Naast heel wat geurhinder brengen ze te veel en te zwaar vrachtverkeer mee op wegen die daar niet op berekend zijn. Ook het probleem rond mest en stikstofuitstoot wordt hiermee alleen maar groter, waardoor landbouwers, die nu al het bos door de bomen niet meer zien, nog meer regels en voorwaarden zullen opgelegd krijgen. Bovendien is het platteland gemeenschappelijk goed en niet van de landbouwers alleen. Ook daar dient rekening mee gehouden te worden.

Produceren voor export

En voor wie produceren wij die overvloed aan voedsel? Om te exporteren naar de andere kant van de wereld? Is de impact hiervan op ons milieu nog ethisch te verantwoorden? Zou het niet logischer en wijzer zijn om onze productie meer af te stemmen op ons eigen binnenlands verbruik en bij uitbreiding op dat van de ons omringende landen? De agro-industrie heeft misschien nood aan die wereldwijde export, maar geldt dat ook voor onze boeren? De landbouwsector stelt zich daar te weinig vragen rond. Boeren blijven meedraaien in het systeem omdat het volgens hen nu eenmaal niet anders kan. Natuurlijk kan het anders, maar daarvoor is durf, moed en meer onderlinge solidariteit nodig. Nog teveel landbouwers zijn koppige einzelgängers, gaan liever hun eigen weg dan samen te werken. Daar maken die toeleveringsbedrijven handig misbruik van.

Kwaliteit boven kwantiteit

Elk landbouwbedrijf zou op zich financieel voldoende gezond en economisch krachtig moeten zijn, op zichzelf kunnen overleven zonder premies of andere vormen van overheidssteun. Geen enkele boer zou tevreden mogen zijn met de kruimels die ze hem nu toewerpen. Verkopen met verlies is trouwens bij wet verboden! Geen enkel landbouwproduct zou bijgevolg het bedrijf mogen verlaten zonder dat er vooraf een aanvaardbare prijs bedongen is. Een prijs die de boer zelf kan onderhandelen met zijn afnemers, daar is al lang geen sprake meer van. Er wordt te veel geproduceerd waarvoor geen directe afzetmarkt is, waardoor de boer keer op keer in de zwakste onderhandelingspositie belandt. Wil je daar iets aan doen, dan moeten vraag en aanbod meer in balans komen. In de eerste plaats door onze productie te beperken. Een krimp van de veestapel lijkt onaanvaardbaar voor de sector, maar is hierin een noodzakelijke stap. Laat kwaliteit het halen van kwantiteit. Dat ‘megastallen’ niet langer of slechts met mondjesmaat worden vergund, is in dit opzicht een goede zaak, in de eerste plaats voor de boer zelf, want er komt vast en zeker een dag dat ook die stallen te klein zullen zijn om voldoende inkomsten te genereren voor het gezin. Wat is de volgende stap dan?

Sector wakker schudden

Dat de jonge landbouwers zich door minister Zuhal Demir gefnuikt voelen in hun ondernemerschap vind ik on-terecht. Haar beleid noopt jonge landbouwers en landbouwers in het algemeen om hun bedrijfsvoering bij te sturen, om andere paden te betreden dan het eindeloos blijven meedraaien in de vicieuze cirkel van onafgebroken intensiveren. Dat is een goede zaak. En iemand moet de sector wakker schudden...

Wie mij na het lezen van dit pleidooi, groene sympathieën verwijt, doet maar. Toch ben ik maar een koele minnaar van het groene gedachtegoed. Maar die groene jongens zijn onze grootste vijand niet. Dat zijn wij landbouwers zelf, omdat wij de maatschappelijke veranderingen die zich in andere sectoren voltrekken niet of onvoldoende willen onderkennen en denken dat wij als boeren, altijd als eerste en enige onder druk komen te staan. Al te vaak vergeten we dat een derde van al het EU-geld naar de landbouw gaat. Geld dat in de toekomst steeds meer gekoppeld gaat worden aan vergroening en verduurzaming, of wij boeren dat nu willen of niet. Massaproductie valt hiermee niet te verzoenen.

Linda Vermeulen

Meest recent

Meest recent