Startpagina Schapen

Aandacht voor de voeding van de drachtige ooien

Het jaareinde nadert: alle ooien zijn gedekt en hopelijk drachtig. Voor sommige bedrijven is het geboorteseizoen reeds dichtbij. Voor de meeste andere bedrijven komt het geboorteseizoen er pas tegen februari-maart aan. Een aangepaste voeding van de drachtige ooien is nu een prioritair aandachtspunt.

Leestijd : 6 min

D e voederbehoefte van een ooi in dit seizoen hangt af van haar gewicht, van het drachtstadium, van de te verwachten worpgrootte en ook van de leeftijd (= eventuele jeugdtoeslag voor groei). De voedingssituatie in de winter is erg verschillend van bedrijf tot bedrijf. Bij schapenbedrijven met een intensieve bezetting per ha is tegen half december of zeker tegen nieuwjaar de grasvoorraad op. Het heeft dan geen zin meer om de ooien nog op het weiland te laten, want dit kost het volgend jaar behoorlijk wat grasopbrengst, als ze daar nog maanden op zoek zijn naar het laatste grassprietje.

Voor sommige bedrijven die aan beheer doen, blijven de dieren ook in de winter op het terrein, maar in functie van het aantal te verwachten lammeren moet hier de conditie wel scherp gevolgd worden, zodat de dieren bij het aflammeren niet graatmager de stal inkomen. Te magere ooien tijdig naar huis halen is hier de boodschap!

Voor bedrijven die onder andere voor melkvee veel weiland beschikbaar hebben of een begraasbare graszaadstoppel of een begraasbare groenbemester bij de hand hebben, hetzij op eigen bedrijf, hetzij op een buurbedrijf, is er meestal tot maand vier van de dracht voldoende gras voorhanden om op een goedkope manier de winter door te komen.

Een basisprincipe voor een goed voederschema bij dracht is dat de ooi in goede conditie de dektijd moet ingaan. Een voldoende hoog voedingsniveau wordt best aangehouden de maand na dekking, om zo embryonale sterfte te voorkomen. Maand 2 en 3 van de dracht mag het kwalitatief wat minder zijn , zodat vervetting tegengegaan wordt. Vanaf maand 4 en zeker in de 5de maand stijgt de voederbehoefte systematisch en des te meer naarmate de te verwachten worp groter is.

De laatste jaren voelen we de impact van de klimaatverandering duidelijk op de voederbeschikbaarheid gedurende het jaar. Er is een goede grasgroei in voor- en najaar, maar door de droogte is er een groeistilstand in volle zomer. Dit doet de globale productiviteit van het grasland dalen, concreet betekent dit dat per jaar één maai- of graasbeurt verloren gaat. Maar door de droogte in de zomermaanden, met gebrek aan voldoende gras en/of mindere graskwaliteit, komen de gespeende ooien ook veel trager terug in conditie. Dit kan/zal bij vroegtijdige dekking zeker de vruchtbaarheid en het aantal geboren lammeren negatief beïnvloeden.

Voedernormen

voor onderhoud en dracht

Alle voedernormen voor ooien en lammeren en ook de voederwaarde van de voeders kan men snel vinden via de website van het Vlaamse Departement Landbouw en Visserij : http://lv.vlaanderen.be/nl/voorlichting-info en daar ga je naar publicaties en dan klik je schapen aan en daar vind je de brochure ‘Schapenhouderij vakkundig 2’. Nog veel meer info is te vinden in het ‘Tabellenboek Veevoeding 2016 – CVB reeks nr 52 – november 2016’. We beperken ons in dit artikel wat voedernormering betreft tot de energiebehoefte , uitgedrukt in eenheden VEM (Voedereenheid Melk = 1 kg gerst) en tot de eiwitbehoefte uitgedrukt in gram DVE (Darm Verteerbaar Eiwit).

De onderhoudsbehoefte voor een volwassen ooi is afhankelijk van haar lichaamsgewicht. De droge stof (DS) opname voor onderhoud zal naargelang het gewicht variëren tussen 1 en 2 kg per dag. Voor dieren op de weide moeten de normen voor onderhoud met 15% verhoogd worden.

De voederbehoefte tijdens de dracht moet de behoefte voor onderhoud van de ooi dekken en tevens de groei van de lammeren mogelijk maken. De voederbehoefte hangt af van het stadium van de dracht, het levend gewicht van de ooi en het aantal te verwachten lammeren. Voor ooien, drachtig van één lam, liggen in de laatste twee maanden de normen ca. 150 VEM en 35 g DVE lager dan die voor ooien drachtig van twee lammeren. Voor ooien drachtig van een drieling is er ca. 100 VEM en 15 g DVE méér nodig dan voor een tweelingdracht.

Dus concreet zijn de voedernormen in de laatste 2 maanden van de dracht voor een ooi van 80 kg die een eenling of een drieling verwacht resp. 1100 en 1350 VEM en 82 en 132g DVE.

Groei-toeslag

Bedrijven die ooilammeren laten dekken, doen dit pas als de ooilammeren minstens 45 kg wegen. Ooien, die op eenjarige leeftijd werpen, moeten voor de groei naar het volwassen gewicht toe in de eerste 2,5 maand van de dracht een toeslag (=wat meer VEM en DVE) krijgen ten opzichte van tweejarige ooien. De laatste twee maanden van de dracht hebben jonge ooien, die dan ca. 60 kg wegen, alleen een toeslag voor dracht nodig.

Wanneer bij jonge ooien een eenling wordt verwacht,is het sterk aan te bevelen om de lagere behoefte van 910 VEM niet te overschrijden. Gebeurt dit wel, dan is er veel meer kans op geboorteproblemen. Eenmaal de voederbehoeften aan energie en eiwit van de dieren gekend zijn, kan men op basis van de voederwaarde van diverse ruw- en krachtvoeders en de drogestof-opname aan rantsoenberekening gaan doen om correct te voederen.

Koppelen we de behoeften van de drachtige dieren aan de inhoud van de voeders, dan zien we dat in de eerste helft van de dracht (tot maand 4) voor alle ooien gras en voordroog of hooi van behoorlijke kwaliteit voldoen aan energie- en eiwitbehoeften. Bijvoederen met krachtvoeder hoeft dus niet. Voor ooien die drachtig zijn van 1 lam voldoen in de tweede helft van de dracht gras en voordroog of hooi van behoorlijke kwaliteit aan energie- en eiwitbehoeften. Bijvoederen met krachtvoeder hoeft dus niet. Krachtvoedergift kan hier leiden tot te zware lammeren, met navenant meer geboorteproblemen.

Voor een tweelingdracht is degelijke wintervoeding in de tweede helft van de dracht quasi voldoende, maar de eiwitvoorziening niet. Bij iets mindere kwaliteit ruwvoeder kan een kleine krachtvoedergifte aangewezen zijn. Bij drielingdracht is er de laatste maanden bij voeding van hooi of voordroog een tekort aan energie en zeker aan eiwit. Dus daar is het zeker aangewezen om de laatste maand van de dracht een beperkte hoeveelheid eiwitrijk krachtvoeder (200 à 300g) per dag te verstrekken.

Bij meerlingdracht is vanaf zes weken voor het werpen en zeker in maand vijf van de dracht een beperkte krachtvoedergift aan de ooien geen overbodige luxe. Tevens moeten we opmerken dat in de veevoedertabellen geen inhoudswaarden voor overwinterend natuurgras bekend zijn. Naar verwachting ligt de energie/eiwitinhoud hier een stuk lager dan bij het oktobergras; wellicht eerder in de buurt van de waarde van minderwaardig hooi. Dus in moeilijker omstandigheden is het verstandig om geregeld de conditie van de drachtige ooien op te volgen.

Worpgrootte vooraf kennen

Momenteel bestaat de mogelijkheid om uw dieren te laten scannen en op basis van de bevindingen ze in groepen (met verwachte eenlingen, of meerlingen) in te delen, waarbij in functie van de te verwachten worp sterker gevoederd wordt. Zonder scanner kan men in het tweede deel van de dracht en zeker tegen de 5de maand aan de conditie van de dieren beoordelen en de dieren die reeds vermageren in een afzonderlijke groep onderbrengen om ze met wat krachtvoeder terug voldoende energie en eiwit te bezorgen. Voor de conditiebeoordeling kan men met de hand rondom de ruggengraat voelen hoe sterk men de uitsteeksels kan ervaren, een gevulde rug betekent dat het dier nog in goede conditie is.

Besluit

Het is zowel economisch als qua dierenwelzijn belangrijk dat de samenstelling van het rantsoen aangepast wordt aan de actuele behoeften van de drachtige dieren. Overmatig voederen leidt tot moeilijkheden bij de geboorte. Ondervoeding in de tweede helft van de dracht leidt tot zwakke lammeren en een te lage melkgifte na de geboorte, maar het kan voor het moederdier zelfs al fout gaan nog vóór de geboorte. Hier komen we in een volgend artikel op terug.

André Calus

Lees ook in Schapen

Q-koorts bij Nederlandse melkschapen

Actueel Op een melkschapenbedrijf in Brakel (Nederland) is Q-koorts vastgesteld. De besmetting werd gevonden via de landelijke tankmelkmonitoring uitgevoerd door Royal GD. Het nationaal referentielaboratorium voor dierziekten Wageningen Bioveterinary Research (WBVR, deel van Wageningen University & Research) heeft de diagnose inmiddels bevestigd.
Meer artikelen bekijken