Vegaplan: internationaal erkend, maar onbekend

Vegaplan: internationaal erkend, maar onbekend

Vegaplan bestaat als vzw sinds 2003. De Belgische landbouwersorganisaties Algemeen Boerensyndicaat (ABS), Boerenbond, Confederatie Belgische Bietenplanters (CBB) en Waalse Landbouwfederatie (FWA) stonden samen aan de wieg ervan. De Vegaplan Standaard voor plantaardige productie, met inbegrip van geïntegreerde gewasbescherming (integrated pest management of IPM) vond pas drie jaar geleden ingang.

Bijzonder is dat de Vegaplan Standaard door de overheid en het voedselagentschap FAVV erkend is, waardoor gecertificeerde bedrijven recht hebben op een korting op de FAVV-bijdrage. Ook is het label uitwisselbaar met enkele Nederlandse en Duitse certificaten. Eerder dit jaar haalde het de status ‘goud’ in de wereldwijde vergelijking die het Initiatief Duurzame Landbouw (Sustainable Agriculture Initiative of SAI) maakte.

Competitief duurzamer

Afnemers en consumenten worden steeds veeleisender wanneer het op duurzaamheid aankomt. “Maar wat is duurzaamheid?”, vraagt akkerbouwer Mathieu Vrancken, voorzitter van Vegaplan én van CBB, zich af. “Een beetje opzoekingswerk levert je een driehoek op waarin de drie P’s, People (het sociale aspect), Planet (het milieu-aspect) en Profit (het economische aspect), met elkaar in evenwicht zijn. Die eerste twee vinden makkelijk ingang bij het publiek, maar bij die derde staan de mensen niet graag stil.”

Zijn collega Romain Cools, de voorzitter van het Overlegplatform voor Plantaardige Producten en Plantaardige Grondstoffen (OVPG), verweert zich fel tegen de kritiek: “Weg met industriële landbouw? Weg met export? We kunnen nooit zelf zoveel consumeren als we produceren. Andere landen kunnen dan weer niet aan de vraag voldoen vanuit hun eigen productie. Maar als we het doen, moeten we het doen vanuit een duurzaam perspectief. Vegaplan laat ons toe om competitief volgens de drie P’s te werken.”

Hoe werkt het?

“Een grote meerwaarde van het duurzaamheidscertificaat is dat de sector op deze manier al te rigide en strenge eisen van hogerhand vermijdt”, merkt Gisèle Fichefet van Vegaplan op. Het systeem moet dus betrouwbaar zijn. De auditeurs van de onafhankelijke controle-instanties en van het FAVV bereiken zoveel mogelijk landbouwers, terwijl dubbele controles maximaal vermeden worden.

Eén keer om de drie jaar wordt elke producent gecontroleerd. Jaarlijks mag ook 10  % zich aan een onverwachtse controle verwachten. De verplichte autocontrole ten slotte versterkt het systeem verder: elk jaar neemt de landbouwer de lijst ter hand en controleert of hij nog beantwoordt aan de eisen.

“We waren al heel goed in veiligheid, traceerbaarheid en kwaliteit. Nu kunnen we ook duurzaamheid aan dat lijstje toevoegen”, verklaart mevrouw Fichefet niet zonder trots. Eerst en vooral kamde Vegaplan alle reeds in de wetgeving opgenomen duurzaamheidsvereisten uit, daarna voegde het er nog een aantal aan toe, onderverdeeld in thema’s, op basis van onderzoek aan de universiteiten van Gent en Gembloux. Die zijn weliswaar niet allemaal verplicht: soms is voldoen aan 70  % van de vereisten voor een thema, soms gelden ze slechts als raadgevingen. Uit het duurzaamheidsrapport blijkt echter dat zelfs die laatste op zeer hoge conformatiescores (meestal hoger dan 90  %) mogen rekenen.

In de praktijk

Duurzaamheidsingenieur Eva De Keyser, werkzaam bij aardappelverwerker Ardo, stelt eveneens dat duurzaamheid een dynamisch concept is. “Het is een constante evolutie: er komen nieuwe criteria bij, vereisten worden anders ingevuld … Het is moeilijk om daar één antwoord op te geven.”

Alle telers verbonden aan Ardo hebben de Vegaplancertificatie. Zo kan de firma haar afnemers meer garanties bieden dan de Europese, nationale en regionale overheden voorschrijven. Door hierop te focussen in haar communicatie kan het bedrijf zich onderscheiden. Ook de Tiense Suikerraffinaderij zet een duurzaamheidsclausule in het bietencontract, volgens Sylvie Decaigny. “Voor ons biedt de Vegaplancertificatie wel degelijk een antwoord op de vraag naar duurzaamheid. Maar daarnaast heeft het ook nog een aantal troeven voor ons.”

Realistisch

Als één van die troeven haalt mevrouw De Keyser de gunstige kostprijs aan. Die is relatief laag doordat er slechts één audit per drie jaar dient te gebeuren. “Ardo beschikt over een vrij groot team van agronomen, die de landbouwers opvolgen. Maar de capaciteit om elke producent te controleren hebben wij niet”, verklaart ze. Betaalbare externe audits bieden hier uitkomst.

Eva De Keyser van Ardo: “Er worden hogere eisen gesteld, maar dat staat los van de prijs.”
Eva De Keyser van Ardo: “Er worden hogere eisen gesteld, maar dat staat los van de prijs.”

De heer Cools van OVPG pikt hierop in door de verwerkende bedrijven op het nut van de databank van Vegaplan te wijzen. “U hebt een instrument waarmee u dagdagelijks de status van uw producent in het oog kunt houden: Hoe lang loopt de certificering nog? Hoe was de audit? Wij moeten die databank verder uitbouwen, maar het is aan u om die te gebruiken.”

Goed ingebed in België

De sprekers van zowel Ardo als de Tiense halen een ander sterk punt van Vegaplan aan: het is op maat van de lokale situatie gemaakt. Mevrouw Fichefet van Vegaplan legt uit dat het lastenboek inderdaad rekening houdt met alle regionale, nationale en internationale wetgeving, wat de nodige complexiteit met zich meebracht. Mevrouw Decaigny van de Tiense prijst het certificeringssysteem ook omdat in één audit voedselveiligheid, traceerbaarheid, kwaliteit en duurzaamheid aan bod komen.

De heer Cools noemt het project dan ook een unieke samenwerking tussen de private en publieke sector, met als grote verdienste de beperking van het aantal audits. “Vegaplan is in meer dan één opzicht uniek, omdat het spontaan tot stand is gekomen door samenwerking in de keten”, gaat hij nog een stap verder. “Dezelfde behoeften stellen zich voor iedereen: vroeger was dat veiligheid, nu duurzaamheid. Wij zijn echt concurrenten van elkaar, maar op deze manier reiken we elkaar de hand, zonder ieders belangen uit het oog te verliezen.”

Van zilver naar goud

Wat de verwerkende bedrijven nog meer aantrekt in het certificeringssysteem is dat het zich kan meten met de internationale standaarden van het Sustainable Agriculture Initiative (SAI). Dat werd opgericht in 2002 door Nestlé, Unilever en Danone. Als lid baseert Südzucker group (waartoe ook de Tiense behoort) er zijn duurzaamheidsbeleid op, vertelt mevrouw Decaigny. “We streven ernaar om al onze productiefaciliteiten, in Duitsland, Polen, Frankrijk en België, in de SAI-categorie ‘zilver’ te krijgen. In België hebben we nu dankzij de inspanningen van Vegaplan ‘goud’ gehaald.”

“Een sterker merk is nodig”, vindt Sylvie Decaigny van de Tiense Suikerraffinaderij.
“Een sterker merk is nodig”, vindt Sylvie Decaigny van de Tiense Suikerraffinaderij.

Volgens de heer Cools hield Vegaplan van in het begin rekening met internationale standaarden, en hoe men daarop kon aansluiten. “Nu is men ook bezig met GFSI (het Good Food Safety Initiative, een standaard voor voedselveiligheid waar ook Global GAP in zit). Wij zitten al in de Champions league en we willen er niet uitgegooid worden.”

Onbekend is onbemind

Global GAP is volgens de heer Cools geen concurrent omdat het vooral voor groente en fruit wordt gebruikt. Bovendien heeft het geen geaccrediteerd systeem voor grondstoffen, en is het niet erkend door het voedselagentschap FAVV. Niettemin vragen de afnemers van Ardo in de eerste plaats naar Global GAP, merkt mevrouw De Keyser op. “Vegaplan moet je nog uitleggen. Zeker buiten België is er weinig bekendheid.”

“Een sterker merk is nodig. Het Vegaplanlogo moet uitstralen dat we gerust op beide oren kunnen slapen, want dit product is veilig, kwaliteitsvol én duurzaam!”, voegt mevrouw Decaigny van de Tiense daar nog aan toe. “We hebben daar al veel moeite in gestoken via SAI en de uitwisselbaarheid met Duitsland en Nederland”, vindt voorzitter Mathieu Vrancken. “Maar als iedereen er zich van bewust wordt dat we die internationale bekendheid nodig hebben, zal er zeker budget voor vrijgemaakt worden.”

En de landbouwer?

Dat Vegaplan ondanks dit punt van verbetering een meerwaarde is voor de verwerkende industrie staat vast, maar zit er voor de landbouwer een betere verdienste in? Dat vraagt Paul Cerpentier van het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) aan de sprekers. “Nee”, antwoordt mevrouw De Keyser eenvoudig. “Dat is de wereld waarin we leven: er worden hogere eisen gesteld, maar dat staat los van de prijs.” Het is een contractvoorwaarde, geen exta dienst.

In zijn besluit komt de heer Cools terug op die uitspraak, zij het wat zachter. “Ik begrijp de producenten. Zij moeten het Vegaplan-certificaat halen, maar vragen zich af wat de verwerkers dan doen. Die staan ook onder druk om op hun manier aan certificaten te voldoen. Het is niet altijd makkelijk, maar we moeten tot oplossingen komen. Duurzaamheid staat in alle schakels van de keten centraal. Ik doe een oproep aan mijn eigen achterban (de verwerkende industrie, nvdr) om daar mee in te investeren. Niet alleen zeggen wat jullie nodig hebben, maar ook wat je er tegenover kunt stellen.”

D.C.

Meest recent

Meest recent